De staat van de doden

Wat gebeurt er als je dood gaat? Vrijwel alle religies hebben wel een theorie hierover. Geen enkele theorie gaat ervan uit dat de dood het einde is van alles. Er is iets na dit leven. Ook Christenen geloven in een leven na de dood. Velen vinden troost in de gedachte dat hun gestorven geliefde zich in de hemel bevind of in het feit dat er een weerzien zal zijn bij de wederkomst van Christus.  Toch zijn er binnen het christendom veel misvattingen over wat er met je gebeurt als je dood gaat.  En dat is vreemd, want de Bijbel is daar eigenlijk heel duidelijk over.  Je moet het onderwerp alleen wel bestuderen en je niet baseren op één tekst.

Laten we daarom eens kijken wat de Bijbel over de dood zegt.  Je zou kunnen zeggen dat de dood het tegengestelde is van het leven.  Als je je leven verliest ben je dood. Laten we daarom eerst kijken wat de Bijbel zegt over wat leven is.

 

Wat is leven?  We lezen daarvoor Joh 14:6 "Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij."  .  Dus Jezus zegt dat Hij het leven is. Hij is degene die het leven geeft, en zonder Hem is er geen leven.

 In 1 Tim 6:13-16 staat het volgende : Ik beveel voor God, die alle leven wekt, en voor Christus Jezus, die de goede belijdenis voor Pontius Pilatus betuigd heeft, 14 dat gij dit gebod onbevlekt en onberispelijk handhaaft tot de verschijning van onze Here Jezus Christus, 15 welke te zijner tijd de zalige en enige Heerser zal doen aanschouwen, de Koning der koningen en de Here der Heren, 16 die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, die geen der mensen gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen.

We lezen dus dat Al het leven van God komt ( vs 13)  En bovendien lezen we dat alleen God onsterfelijk is. De mens is dus zeker niet onsterfelijk.

Dat het leven van God komt vinden we ook in Hand 17: 28 :

Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enige van uw dichters hebben gezegd: Want wij zijn ook van zijn geslacht.

Nu we weten dat het leven van God komt willen we eens kijken wat God dan doet als Hij het leven geeft. Daarvoor gaan we naar Genesis 2:7 :  "toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen."

Wat we hier zien is dat de combinatie van stof uit de aardbodem en levensadem de mens tot een leven wezen maakt. Het woordje wezen dat hier gebruikt is is in het Hebreeuws het woord dat gebruikt word voor ziel  (nephesh) . Deze tekst had dus ook vertaald kunnen worden door "Zo werd de mens tot een levende ziel."    Dat is interessant. Je zou dus kunnen zeggen dat het leven bestaat uit twee componenten : Het stof van de aarde waarmee ons lichaam is geformeerd, en de levensadem die God ons inblaast. Samengevoegd levert dit een levende ziel op.

Dit woordje ziel komen we vaak tegen in de Bijbel. Bijvoorbeeld in Job 12:9-10:

Wie onder deze alle weet niet, dat de hand des Heren dit doet,

10 in wiens hand de ziel is van al wat leeft en de geest van ieder sterveling?

Hier zien we eigenlijk, zoals heel vaak in de Bijbel, Job als het ware twee keer hetzelfde zeggen, maar op verschillende manieren. Eerst gebruikt hij het woord ziel ( nephesh) en dan het woord geest. Hier staat in het hebreeuws Roeach, wat geest of adem betekent.  Job zegt dus dat de ziel van al wat leeft in de hand is van de Heer, net als de geest van iedere sterveling.   Daarmee koppelt Job als het ware ziel en geest aan elkaar.  Merk op dat je uit deze tekst zou kunnen opmaken dat een ziel een onderdeel is van een levend wezen. Dat is verwarrend, want we hebben eerder gezien dat een levend wezen een levende ziel is, dus niet een onderdeel ervan is.  Je zou het zo kunnen zien dat Job bedoelt dat "al wat leeft"  bestaat uit allemaal zielen die God in zijn hand houdt.

We hebben gezien dat een levende ziel bestaat uit stof van de aarde gecombineerd met de levensadem van God.

Laten we nu eens kijken naar de teksten die over de dood gaan.

In Gen 3:19 lezen we :  in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.   

God spreekt deze woorden naar aanleiding van de zondeval.  Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.   We weten dus wat er met de component stof van ons gebeurt, het vervalt weer tot stof. Maar wat gebeurt er dan met die tweede component, de levensadem?

In Prediker 12:7 lezen we daar over : en het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft.  In de NBV lezen we dat er staat "wanneer de adem van het leven weer naar God gaat, die het leven gegeven heeft"

Dat klinkt logisch, niet waar?  We zijn geformeerd uit stof van de aarde en ontvangen levensadem van God. Als we doodgaan keert het stof terug tot de aarde en de levensadem gaat terug naar God.

In Job 14:10-14  lezen we het volgende :

Maar wanneer een man sterft, dan ligt hij krachteloos neer;
geeft een mens de geest, waar is hij gebleven?
11 Zoals water verdampt uit een meer
en een rivier verloopt en uitdroogt,
12 zo legt een mens zich neer en staat niet weer op;
totdat de hemelen niet meer zijn, ontwaken zij niet
en worden niet wakker uit hun slaap.
13 Och, of Gij mij in het dodenrijk wildet versteken,
mij verbergen, totdat uw toorn geweken was;
dat Gij mij een tijd steldet en dan weer aan mij dacht.
14 Als een mens sterft, zou hij herleven?
Dan zou ik hoop hebben al de dagen van mijn zware dienst,
totdat mijn aflossing zou komen.

In vers 10 staat de vraag : "geeft een mens de geest, waar is hij gebleven?" Dit is eigenlijk een retorische vraag. In de volgende verzen geeft Job eigenlijk zelf antwoord op zijn vraag. Hij beschouwd het als het verdampen van water in een opdrogend meer.  We lezen ook dat de doden niet zullen ontwaken tot de hemel zal vergaan. Merk op dat dit de hemel is in de vorm van onze dampkring. Het gaat niet om de hemel als de woonplaats van God. Die hemel zal immers niet vergaan. ( zo gaat het  waar in de Bijbel sprake is van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, ook over de hemel die wij kunnen zien, in feite onze dampkring). Job heeft het dus duidelijk niet over een geest die een bestemming heeft en ergens naar toe reist.   Dus als we lezen dat de geest, of de levensadem, teruggaat naar God, betekent dat niet direct dat   er iets is, een geest, die naar God terug gaat als in een reis met bestemming Hemel. Het is alleen een uitdrukking, dat datgene wat God gegeven heeft weer teruggenomen is, want de mens is gestorven en lig krachteloos neer. Hij bezit die levensadem niet meer. 

We zien in deze tekst nog een interessant iets. Daarvoor moeten we echter naar de herziene statenvertaling. Daar staat nl. In vs 14 aan et einde "totdat er voor mij verandering zou komen".   Het vergt wellicht een aparte studie, maar de Bijbel vertelt ons dat we bij de wederkomst in een ogenblik veranderd zullen worden. ( 1 Cor 15: 51,52). Job lijkt naar dit gegeven te verwijzen, ofschoon hij natuurlijk niet de beschikking had over het Nieuwe Testament.

We gaan nu naar prediker 9:5-6

"De levenden weten tenminste, dat zij sterven moeten, maar de doden weten niets; zij hebben geen loon meer te wachten, zelfs hun nagedachtenis is vergeten. 6 Zowel hun liefde als hun haat en hun naijver zijn reeds lang vergaan; en zij hebben nimmer deel aan iets, dat onder de zon geschiedt. "

Veel duidelijker kan de Bijbel niet zijn.   Niet alleen weten de doden niets, zelfs hun liefde en haat, hun emoties zijn vergaan. Past dit bij de algemene opvatting dat je na je dood direct naar de Hemel gaat? Absoluut niet.  Velen vinden troost in de gedachte dat hun overleden geliefde, moeder, kind,  zich in de Hemel bevind en daar een fijne tijd beleeft. Ja velen menen dat ze hier op aarde worden gadegeslagen door een overleden familielid. Maar dat is niet in overeenstemming met wat de Bijbel ons leert. Velen die deze waarheid hebben leren kennen vinden ook troost bij de gedachte dat hun geliefde slaapt en zich onbewust is van het verdriet van degene die ze hebben achtergelaten. Het is ook een vreemde gedachte om naar een gelukzalige plek, wat de Hemel ongetwijfeld is, te gaan en van daar te moeten neerzien op het geploeter en de moeite van de mens hier op aarde. 

Maar is deze tekst dan de  enige plek in de Bijbel waar deze gedachte te vinden isd? Nee, er zijn er veel meer.  Psalm 146:4

"gaat zijn adem uit, dan keert hij weder tot zijn aarde, te dien dage vergaan zijn plannen."

Psalm 115: 17-18:

 "Niet de doden zullen de Here loven, niemand van wie in de stilte zijn neergedaald, 18 maar wij, wij zullen de Here prijzen van nu aan tot in eeuwigheid. Halleluja"

Opvallend, want met name de doden zouden, als zij zich in de Hemel zouden bevinden, de Here loven.  In plaats naar de Hemel te zijn opgestegen wordt hier gezegd dat ze zijn afgedaald in de stilte.  Nu lijkt dat ook een vorm van ergens heengaan  uit te drukken. Maar afdalen in de stilte is een vorm van beeldspraak.  Als je dood bent, je  je van niets bewust bent, is er stilte, er valt niets waar te nemen.  Dit is het zg dodenrijk waar de Bijbel het vaak over heeft. Er is geen letterlijk rijk of plaats waar allemaal dode mensen of geesten van doden rondwaren. Het is beeldspraak om toch een plaats aan te duiden waar de doden zijn.

Lees Ezechiel 18:4: "Zie, alle zielen zijn van Mij, zowel de ziel van de vader als die van de zoon zijn van Mij; de ziel die zondigt, die zal sterven."  De nbv heeft het niet over de ziel, maar over mensenlevens.  Hier vinden we weer de gedachte dat de ziel hetzelfde is als een mensenleven, en dat God "eigenaar" is, Gever van het leven. Wie zondigt zal ook weer sterven, wie niet zondigt sterft niet. Dat lijkt een vreemde gedachte, we zijn toch allemaal sterfelijk? Natuurlijk, maar we zijn ook allemaal zondaars. Bovendien bedoelt God (bij monde van Ezechiël) hier dat het uiteindelijke resultaat van de rechtvaardige is dat Hij zal leven, dwz de eeuwige dood niet zal sterven. 

Handelingen 2:29, 34

 "Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij èn gestorven èn begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag."

Vs 34:

"Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf:
De Here heeft gezegd tot mijn Here:
Zet U aan mijn rechterhand,35 totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten."

Dus Petrus zegt hier dat zelfs David, toch iemand die het zeker zou verdienen om na zijn dood naar de Hemel te gaan, niet is opgevaren naar de hemelen. Nee, zijn graf is bij ons tot op deze dag.

Tot slot keren wij ons tot het verhaal van Lazarus. Als we het hele stukje lezen in Joh 11 dan zien wij dat Jezus de dood met een slaap vergelijkt. Eerst zegt Hij dat Lazarus slaapt. Maar omdat de discipelen hem verkeerd begrijpen, zegt Hij hen ronduit dat Lazarus gestorven is.  In vs 24 zegt Jezus tegen Marta dat haar broer zal opstaan. Marta reageert door te zeggen dat ze weet dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongste dage.   En Jezus  zegt dan dat wie in Hem gelooft zal leven ook al is hij gestorven. Deze tekst past bij wat we in Ezechiël hebben gelezen. Jezus zegt dat wie leeft, in eeuwigheid niet zal sterven. Dat is een duidelijke verwijzing naar het eeuwige leven. Dus de eerste dood is als een slaap, waaruit we bij de opstanding zullen ontwaken. Wie dan rechtvaardig is, dat is wie in Jezus gelooft,  zal eeuwig leven, wie dat niet doet zal de eeuwige dood sterven.

Tot zover onze studie. De Bijbel wil ons laten weten dat er geen sprake is van een direct na je dood doorleven in de Hemel of een andere plaats.  De dood is een slaap, waarin je je niets bewust bent. Je lichaam vervalt tot stof.  Iets anders geloven brengt allerlei misverstanden in de wereld. Hoe zit het met het contact met de doden? Als de doden slapen, hoe kan het dan dat je met je overleden opa zou kunnen communiceren?  En hoe zit het met het verhaal van Saul die een geestenbezweerster raadpleegt? Hij vaag haar toch om de overleden Samuel op te roepen, en die verschijnt inderdaad. Maar was dat inderdaad Samuel?  Zou een dode Samuel, profeet van God, zich op deze manier laten gebruiken, terwijl God weigerde te antwoorden aan Saul?  Terwijl Samuel toch bij God zou moeten zijn.   De zg. Samuel zegt dat Saul gedood zou worden met zijn zonen. Als inderdaad zijn zonen later omkomen, denkt Saul terug aan de waarzegster en denkt dan dat ook Hij zal moeten sterven. Daarom laat hij zich in zijn eigen zwaard vallen.  Je kunt je afvragen, ook al geeft de Bijbel hier geen verklaring  over, of het werkelijk  Samuel was die Saul opriep, of dat het een demon was, een gevallen engel die zich voordeet als Samuel.  De Bijbel is duidelijk over het raadplegen van doden: niet doen! Waarom niet?  Omdat de doden slapen, maar er wel machten zijn, demonen, gevallen engelen, die het kunnen doen lijken of je met een dode contact hebt.  Maar het is misleiding waar de Bijbel duidelijk voor waarschuwt.

Was niet de leugen van Satan, dat Eva door het eten van de verboden vrucht geenszins zou sterven, doch gelijk zou worden aan God?  Veel christenen geloven nu ongeveer hetzelfde: Je lichaam gaat wel dood, maar zelf leef je voort en gaat als een geestelijk wezen naar de Hemel en leeft dus voort, zoals God.     

 

preken luisteren

Loading Player...

Spreekrooster

Geen activiteiten gevonden